Fragment uit hoofdstuk 5

Bij Tchikam, een waterpoel, stopten we de auto. De drinkplaats bestond uit een kuil die jaren geleden was uitgegraven, ruwweg twintig bij twintig meter. Er stond nog troebel, leemkleurig water in.  Aan drie kanten waren de oevers eigenlijk te steil en zeker in het droge seizoen te hoog om bij het water te komen. Aan de overkant was één oever door olifanten en ander wild vertrapt en ingezakt, waardoor het wild nu makkelijker het water kon bereiken. Een paar prachtig gekleurde duifjes vloog op toen we de motor uitzetten. In de plotselinge stilte riep in de verte een Afrikaanse hop, een melancholisch lied dat van hoog naar laag dwarrelde, zachtjes wegstervend en versnellend naar het eind, hoohoohoho. Atanga, Annet en ik liepen langzaam om de drinkplaats heen, de olifantensporen monsterend. In de natte tijd waren de dieren hier soms decimeters diep weggezakt, nu resteerden de in de zon hardgebakken ronde gaten. Af en toe stonden we stil bij een hoop olifantenmest, maakten aantekeningen en liepen weer door.
Zonder er verder over na te denken waren we precies aan de overkant gekomen, zonder onze omgeving goed in de gaten te hebben gehouden.  Op dat moment klonk er voor ons uit de bosjes een machtige brul, gevolgd door een paar korte waarschuwende grommen. We verstijfden toen we opkeken en op tien meter van ons vandaan een jonge mannetjesleeuw tussen de bomen zagen liggen. Hij staarde ons met grote gele ogen aan, zijn korte manen kleurden roodbruin op in het zonlicht. Terwijl ik mijn hart voelde overslaan hoorde ik Atanga ons toesissen het vooral niet op een rennen te zetten. ‘Achteruit lopen, maar niet omdraaien.’
Vechtend tegen de impuls om dat wel te doen en het op een lopen te zetten, liepen we langzaam achteruit, terwijl onze ogen de leeuw voor ons niet konden loslaten. Ik deed een schietgebedje dat ik niet zou struikelen in een van de vele diepe afdrukken die de olifantenpoten hadden achtergelaten in de oever. We hielden de leeuw angstvallig in de gaten, maar die maakte geen aanstalten om achter ons aan te komen. In plaats daarvan geeuwde hij weldadig, volkomen onaangedaan door onze verschijning, en schudde zijn kop met korte manen, alsof hij ons wilde duidelijk maken dat we vandaag niet op het menu stonden. Nadat we tien meter angstig achteruit hadden geschuifeld bereikten we de hoek van de drinkplaats, waar we ons tegelijkertijd toch omdraaiden en het op een rennen naar de auto zetten. Het water lag nu tussen ons en de leeuw en toen we vlak bij de auto waren hielden we onze pas in om te zien wat de leeuw van plan was. We zagen alleen nog zijn staart, de kwast plagerig zwaaiend, verdwijnen tussen de kale acaciatakken.